Je ergert je misschien ook aan de vaak wisselende snelheidslimieten in Vlaanderen, en dan komt daar nog eens die zone 30 bij. Die soms permanent is, maar op andere plaatsen enkel aan het begin en einde van schooldagen geldt. Hoe zit dat nu eigenlijk? En helpt dat echt, met een slakkengang rijden?
Wat zijn de regels in een zone 30?
Zone 30 duidt een gebied aan waarin de maximumsnelheid 30 km/u is voor alle weggebruikers, dus ook voor tweewielers. De snelheidsbeperking wordt aangeduid met een bord aan het begin en aan het einde van de zone. Het zone 30 bord kan een vast of een dynamisch bord zijn. Bij een vast bord mag je nooit sneller dan 30 km/u rijden, met andere woorden ook niet buiten de schooluren, tijdens vakanties of in het weekend. Bij een dynamisch bord geldt de snelheidsbeperking enkel wanneer het bord oplicht. De activatie gebeurt op basis van de lestijden van de school gelegen in de zone 30.
Waarom geldt de zone 30 op de ene plaats altijd en op andere niet?
Waarom in sommige schoolomgevingen de snelheidsbeperking continu geldt, en op andere enkel wanneer het verkeersbord oplicht, is wel degelijk een bewuste keuze. Ligt de school in een centrum of een woonomgeving, dan zal er bijna altijd gekozen worden voor vaste verkeersborden. Op deze plaatsen kun je namelijk ook buiten de schooluren veel passage van fietsers en voetgangers verwachten. Dit komt dus de veiligheid ten goede, op elke dag en elk uur. Ligt de school aan een drukkere hoofdweg, dan opteert men voor een variabele zone 30, zodat buiten het begin en einde van een schooldag het verkeer vlot kan doorstromen.
Wat is het effect van 30 km/u?
50 km/u lijkt al best traag, zul je misschien denken. Toch maakt die snelheidsverlaging wel degelijk een verschil. Om het zeer concreet te maken: rij je 50 km/u en moet je in de remmen gaan, dan sta je pas na 26 meter stil. Besef daarbij dat de eerste veertien meter reactieafstand is. Pas dan begint de eigenlijke remafstand. Je legt dus heel wat meters af voor je effectief begint af te remmen. Beeld je in dat zo’n tien meter voor je plots iemand opduikt. Dan rij je die persoon met de volle snelheid van 50 km/u aan.
Een auto die rijdt met een snelheid van 30 km/u heeft een stopafstand van zo’n 12 à 13 meter. Twee derden daarvan is reactieafstand, één derde remafstand. Onnodig te zeggen dat de klap veel zwaarder is bij een aanrijding met 50 km/u dan bij 30 km/u. En dat een nat wegdek de afstand nog verlengt.
Lees ook
De belangrijkste verkeersregels in een schoolomgeving
De fietsstraat of fietszone: wat mag wel/niet?
Je kind veilig vastklikken in de autostoel doe je zo








