Nu de wintertijd ingaat en het ’s avonds veel sneller donker wordt, is extra waakzaamheid op de baan van groot belang.
Het winteruur heeft een serieuze impact op de verkeersveiligheid: na de omschakeling gebeuren er steevast meer ongevallen en die zijn ook ernstiger. Het is dan ook belangrijk dat je als automobilist zorgt dat je de andere weggebruikers – en fietsers en voetgangers in het bijzonder – goed ziet. Deze tips helpen daarbij.
1. Zorg voor schone autoruiten, óók aan de binnenzijde
Lijkt evident, maar wordt vaak vergeten. Poets niet alleen de buitenkant, haal ook een doek over de binnenkant van je autoruiten. Je auto zuigt lucht van buiten aan, waardoor vuildeeltjes zich vastzetten op de voorruit. Bij helder weer kijk je daar doorheen, maar bij fel licht – denk aan een laagstaande zon of de autolichten van tegenliggers – vertroebelt die blauwgrijze film je zicht. Ga daarom met een propere, vochtige doek (eventueel met wat ruitenreiniger) over de binnenzijde van je voorruit. Probeer geen strepen achter te laten.
2. Haal bladeren vanonder de motorkap
Onderaan je voorruit, net onder de motorkap, zitten luchthappers die voor de aanvoer van verse lucht zorgen. In de herfst hopen zich daar vaak bladeren op. Je ziet ze meestal niet zitten, dus open je motorkap om de bladeren te verwijderen. Ze verstoppen namelijk de luchtaanvoer, waardoor je sneller aangedampte ruiten krijgt.
3. Controleer of al je lichten werken
Bij het VAB-Diagnosecentrum merken we dat er heel wat voertuigen rondrijden waarvan één of meerdere lichten niet werken, zonder dat de bestuurder zich hiervan bewust is. Zet daarom jouw autolichten aan en wandel eens rond je wagen. Je kan dit ook vanuit je auto checken. Rij tot vlak voor een muur of raam en zet de lichten aan om te zien of ze werken. Keer je wagen en controleer via de achteruitkijkspiegel de achterlichten. Zo weet je meteen ook of de remlichten werken.
4. Zet sneller (en manueel!) je dimlichten aan
De klok een uur terugdraaien betekent ook dat het vroeger begint te schemeren. Het is dan nog te licht voor automatische dimlichten, maar al te donker voor de dagrijlichten. Wist je trouwens dat bij dagrijlichten de achterlichten meestal niet automatisch mee aanspringen? Door de verlichting van je wagen op automatisch te zetten, zullen de dimlichten voor- en achteraan automatisch aangaan als de duisternis intreedt. Voertuigen die deze functie nog niet hebben – gelukkig zijn dat er steeds minder – , durven al eens in het donker rijden met enkel dagrijlichten, en dan branden de achterlichten niet. De sensoren van de automatische verlichting schieten echter vaak nog niet in actie als het schemert. Met als gevolg dat je niet goed zichtbaar bent voor achterliggend verkeer. Oplossing is dan om in de schemer je dimlichten manueel aan te zetten.
5. Vertraag in de buurt van oversteekplaatsen
Vertraag in de buurt van kruispunten en oversteekplaatsen. Als autobestuurder moet je in staat zijn te stoppen bij elk zebrapad, ook als een voetganger oversteekt zonder te kijken. Minder ook je snelheid bij kruispunten, zelfs wanneer je voorrang hebt. Maak oogcontact met voetgangers en fietsers.
Lees ook
Nachtblindheid: wat is het en wat kun je eraan doen?
Waarom brandt de wegverlichting niet altijd?








